2017-3 Kinderboerderijen

Bijna ieder dorp of stad heeft er wel één of meer, een kinderboerderij. Een plek waar een diversiteit aan dieren gehouden wordt  en met een educatieve functie voor kinderen, en volwassenen, en daarnaast ook gewoon een plek zijn waar het leuk is om met je gezin heen te gaan. Natuurlijk hebben de dieren op een kinderboerderij ook regelmatig veterinaire zorg nodig. Echter het feit dat steeds meer dierenartsen diersoort specifiek werken, maakt het bieden van een juiste begeleiding aan boerderijen met een publieke functie lastig. In dit Diergeneeskundig Memorandum vindt u informatie over de basale regelgeving rondom het houden van dieren op een kinderboerderij en onder andere over zoönosen. Daarnaast vindt u informatie over de meest voorkomende diersoorten op de kinderboerderij om een goede begeleiding te kunnen bieden.

Ik heb samen met andere auteurs geprobeerd handvatten aan te reiken voor een goede begeleiding van boerderijen met een publieke functie. Al tijdens de opleiding worden studenten in het derde jaar voor de keus gesteld in welke diersoort(en) zij willen afstuderen. Ondanks dat we als algemeen bevoegd dierenarts afstuderen, zijn we niet algemeen bekwaam. Dat steeds meer dierenartsen diersoort specifiek werken, maakt het bieden van een juiste begeleiding aan boerderijen met een publieke functie lastig. Meestal worden er naast de gebruikelijke diersoorten die op een boerderij te vinden zijn, ook gezelschapsdieren als konijnen en cavia’s gehouden. Ook hebben sommige kinderboerderijen exoten in huis.

In dit Diergeneeskundig Memorandum vindt u informatie over de basale regelgeving rondom het houden van dieren op een kinderboerderij en onder andere over zoönosen. Daarnaast vindt u informatie over de meest voorkomende diersoorten op de kinderboerderij om een goede begeleiding te bieden.

Omdat voor mij geldt dat ik ook zo veel mogelijk diersoort specifiek werk, ben ik blij met de hulp die ik gekregen heb van verschillende mensen voor het schrijven van de hoofstukken gericht op diersoorten waar ik minder van weet. Allereerst wil ik daarvoor Mark van der Heijden voor bedanken. Samen met hem is het idee tot stand gekomen om dit Diergeneeskundig Memorandum te schrijven. Daarnaast heeft hij mij goed begeleid in het schrijven, ruimte gegeven waar nodig en wil ik hem bedanken voor zijn bijdrage over schapen. Het stuk over varkens is geschreven door mijn collega bij de ULP, Josine Gelauf. Ook haar bedank ik voor inzet en voor het meedenken. Aan het stuk over pluimvee heeft Marius Dwars, werkzaam als universitair docent pluimvee bij de Faculteit Diergeneeskunde, een bijdrage geleverd waar ik erg blij mee ben. Het stuk over paarden is geschreven door Nienke Janzon, paardendierenarts bij Lingehoeve Noord-Nederland. Het is een geweldig stuk geworden en ik ben blij met haar bijdrage. Verder wil ik nog Carolijn Herenius, dierenarts-eigenaar van Dierenartsenpraktijk Oog in Al, bedanken voor haar stuk over gezelschapsdieren.

Als laatste wil ik graag Inger van der Laan, werkzaam voor de Vereniging Samenwerkende Kinderboerderijen Nederland, voor haar meedenken over dit Diergeneeskundig Memorandum en het gebruiken van haar foto’s.

 

Februari 2018, Marloes de Rooij

2016-3 ECG in de praktijk

De vooruitgang in de kennis en kunde in veterinaire cardiologie gedurende de laatste 10 jaren (sinds de start van mijn specialisten-opleiding in 2005) is overweldigend. Echocardiografie is veel complexer geworden, nieuwe laboratorium testen zijn succesvol ontwikkeld en nieuwe medicijnen zijn op de markt gekomen. Zelfs een specifiek tijdschrift (Journal of Veterinary Cardiology) heeft in deze tijd een prominente plaats in de veterinaire literatuur verworven, samenhangend met de toenemende specialisatie in de diergeneeskunde.

In de praktische aanpak in de diagnostiek van hartziekten, is het gebruik en de interpretatie van electrocardiografie echter veelal gelijk gebleven. Veel dierenartsen hebben echter enige moeite met het interpreteren van ECGs, en het maken van een (medicamenteus) behandelplan. Het doel van deze editie van het Diergeneeskundig Memorandum is de lezer (van veterinair student tot ervaren dierenarts) een gedegen overzicht te geven van electrocardiografie bij honden, katten, vogels & bijzondere dieren en paarden. We hebben getracht een en ander zo op te schrijven dat het eenvoudig te begrijpen is. Veelvuldig is gebruikt gemaakt van foto’s van ECGs, welke wij als auteurs over de laatste jaren verzameld hebben. Deze editie kan zowel als een boek gelezen worden of als naslagwerk gebruikt worden om meer over een specifieke ritmediagnose te lezen. We hopen dat u als lezer enthousiast bent tijdens en na het lezen van deze editie.

De belangrijkste indicatie voor een ECG blijft de bevinding van een aritmie op basis van gedegen lichamelijk onderzoek. Ik denk nog wel eens terug aan de eerste jaren van mijn opleiding en mijn verbazing destijds hoe Dr. Stokhof op basis van een lichamelijk onderzoek en een ECG vrijwel altijd tot een correcte klinische diagnose kwam (welke ik dan vervolgens met aanvullende diagnostiek bevestigde). Met het veelvuldig gebruik van echocardiografie is de indicatie voor ECG tegenwoordig echter beperkt tot het stellen van ritmediagnoses.

Mijn dank gaat uit naar de co-auteurs (Dr. Lisette Overduin, Dr. Yvonne van Zeeland, Dr. Nico Schoenmaker, Drs. Esmee Smiet). Dankzij hun harde werk en fantastische opstelling was het maken van deze editie van het DM zowel inspirerend als leuk!

 

Niek Beijerink

DVM, PhD, Dipl. ECVIM (Cardiology)

Associate Professor, Faculty of Veterinary Science, Sydney University, Australia

2016-2 Klauwgezondheid bij Melkvee

“Inzicht zonder kennis is niet mogelijk” zo opende Toussaint Raven in 1977 zijn voorwoord in het inmiddels beroemde boek “Klauwverzorging bij het rund”. Met als subtitel “over het ontstaan en voorkomen van zoolzweren”. Aandacht voor klauwen en klauwgezondheid van het rund, kent een aantal ambassadeurs. Na verschijning van het boek van E. Toussaint Raven, zetten zij dit onderwerp de laatste tientallen jaren continue op de kaart. Zodat de kunde en kennis kon worden uitgebreid. In Nederland zijn de belangrijkste personen – zonder anderen te kort willen te doen – Menno Holzhauer van de Gezondheidsdienst voor Dieren, Piet Kloosterman destijds op de praktijkschool in Oenkerk en het huidige Dairy Campus in Leeuwarden en vanuit de faculteit Diergeneeskunde Jan van Amerongen en Dick Scholten.

Een heel Diergeneeskundig Memorandum over klauwgezondheid lijkt op zijn plaats omdat de ontwikkelingen in de pathogenese, epidemiologie en preventie elkaar in hoog tempo opvolgen. Daarnaast lijkt de kennis soms versnipperd en zijn de uitkomsten van veel literatuur niet van toepassing onder de Nederlandse omstandigheden. Zoals bijvoorbeeld het gebruik van antibiotica in voetenbaden of de grote verschillen in huisvesting. Er wordt van de  rundveedierenarts verwacht dat hij up to date is met zowel curatieve, maar zeker ook preventieve aspecten van klauwgezondheid. En dat naast de twee belangrijke onderdelen vruchtbaarheid en uiergezondheid. Het onderwerp klauwgezondheid werd en wordt wellicht door vele nog als “lastig” gekwalificeerd. In dit memorandum is getracht praktijk en onderzoek te combineren. Uitkomsten en aanbevelingen zijn gebaseerd op gedegen onderzoek of eigen waarnemingen in ons Nederlands KlauwgezondheidsCentrum (NKGC). Sommige onderdelen zijn daarom niet behandeld. De literatuur laat op deze punten namelijk te veel tegenstrijdige resultaten zien. Er ontbreekt hier en daar dus nog kennis en inzicht om waardevolle uitspraken te kunnen doen.

De doelgroep voor dit diergeneeskundig memorandum zijn rundveedierenartsen die zowel de “algemene” kennis willen opfrissen als een stuk verdieping zoeken voor de meest voorkomende hoorn- en huidaandoeningen van klauwen bij rundvee.

Ook de omgeving om ons heen is veranderd. Enerzijds versnelt communicatie, anderzijds stelt de consument steeds hogere eisen aan de wijze waarop voedsel wordt geproduceerd. Des te belangrijker is het dat elk productieproces – waaronder het produceren van melk – transparant is. Gezien de discussie over weidegang en de toename in bedrijfsomvang, zal ook klauwgezondheid een steeds belangrijker item worden. Dit Diergeneeskundig Memorandum brengt niet alleen de bestaande kennis zoveel mogelijk  samen, maar het biedt ook een praktisch handvat om deze kennis morgen in de praktijk te brengen en een positieve bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van klauwgezondheid op melkveebedrijven. De tweede regel in het boek van E. Toussaint Raven luidde dan ook “kennis zonder inzicht kan geen bijdrage leveren tot een zinvolle ontwikkeling”!

2016-1 Veel personeel gewenst!

‘Veel personeel gewenst.’ Woorden die soms uitgesproken worden om beginnend ondernemers een goede toekomst te wensen. Immers hoe groter en succesvoller hun onderneming zal worden, hoe meer personeel ze nodig zullen hebben. Dat is voor een dierenartspraktijk natuurlijk niet anders. Ook daar is de hoeveelheid medewerkers, tot op zekere hoogte, een maat voor het succes. Maar het hebben van personeel is niet alleen maar rozengeur en maneschijn; het brengt ook allerlei nieuwe uitdagingen met zich mee. Uitdagingen op het gebied van werving en selectie, vaststellen van primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden, aansturing en beoordeling, teamdynamiek en -begeleiding en dat allemaal omgeven door wettelijke kaders waarbinnen gewerkt moet worden. Uitdagingen die veel verder gaan dan het hebben van een kloppende salarisadministratie en het op tijd uitbetalen van die salarissen. Uitdagingen ook, die je er als veterinair ondernemer gewoon even bij krijgt, naast alle andere zaken waar je je mee bezig dient te houden in je praktijk en die in het veterinair onderwijs nooit aan bod gekomen zijn. Uitdagingen waar ook de werknemer zich mee geconfronteerd ziet. Naast het veterinaire handelen en de omgang met klanten moet er ook een goede arbeidsrelatie met collega’s en de  werkgever onderhouden worden. Daar hebben beide partijen immers een verantwoordelijkheid in. Het gebrek aan kennis, en vaak ook tijd, zorgen er helaas voor dat in veel dierenartspraktijken het personeelsmanagement niet de aandacht krijgt die het verdient en dat er weinig proactieve tijd wordt gestoken in het opbouwen en onderhouden van een goede arbeidsrelatie.

Voldoende tijd en aandacht besteden aan de aansturing van het team kan echt een verschil maken, want de medewerkers zijn verreweg de belangrijkste factor voor het succes van een praktijk. Ook al beschik je over het perfecte pand en de beste uitrusting, zonder betrokken en gemotiveerde medewerkers kan je het potentieel daarvan nooit optimaal benutten. Er wordt best veel geschreven over de zaken die belangrijk zijn voor het creëren van een goed team, maar specifieke literatuur voor de veterinaire praktijk is er maar weinig. En gaat dit Diergeneeskundig Memorandum helemaal in het teken van personeel en modern personeelsmanagement.

Een heel nummer zonder klinisch kennis, maar wel een onderwerp waar iedere praktijk dagelijks mee te maken heeft. We hopen dan ook dat dit nummer de lezers zal inspireren en motiveren en dat het een bijdrage mag leveren aan professionalisering van het personeelsmanagement in de praktijk.

Wij wensen u ontzettend veel leesplezier en natuurlijk ook ‘Veel Personeel’.

 

2015-3 Paardenvoeding

Als dierenarts ben je in staat advies te geven over de voeding en verzorging van dieren én om fouten/situaties die de kans op ziekte, lichamelijke problemen en welzijnsproblemen, te herkennen en te herstellen. In de praktijk merk je pas hoe belangrijk deze kennis is om eigenaren te woord te staan en advies te geven. Dit is voor het behandelen van paarden niet anders. Hoeveel hooi of welk soort krachtvoer heeft dit of dat paard nu nodig en, misschien nog wel van een groter belang, hoe voorkom je dat het paard weer koliek krijgt of weer last krijgt van hoefbevangenheid?

Kortom, paardenvoeding is een essentieel onderdeel van de paardengezondheidszorg. Alhoewel het eisenpakket aan de voersamenstelling voor paarden relatief beperkt is in vergelijking met productiedieren, schieten veel rantsoenen te kort. Voorbeelden hiervan zijn:

  • te lage hoeveelheden ruwvoer;
  • verkeerde aannames van de gehalten aan voedingsstoffen in ruwvoer;
  • een te hoog aandeel krachtvoer;
  • onnodig veel supplementen;.

Het vinden van de juiste balans blijkt in de praktijk vaak moeilijker dan in eerste instantie gedacht. “Veel ruwvoer en een beetje brok” is voor veel dierenartsen de gouden regel die in principe klopt, maar helaas door de grote variatie in het begrip ‘veel’ en ‘een beetje’ door paardeneigenaren niet altijd goed wordt uitgevoerd. En omdat ruwvoer aan de ene kant het belangrijkste onderdeel is en aan de andere kant niet wordt geanalyseerd en een zeer grote spreiding laat zien in gehalten en conservering, is de gouden regel niet altijd de waarheid.

“Veel ruwvoer een beetje brok” kan derhalve beter vervangen worden door: “veel passende kwaliteit ruwvoer en een complementerend supplement of een correcte dosering brok (of muesli)”. Alle nuancering in deze nieuwe regel maakt duidelijk dat het voeren van een paard weloverwogen en steunend op feiten en deskundigheid moet gebeuren.

Dierenartsen kunnen met goed voeradvies bijdragen aan de gezondheid en welzijn van het paard. Zij zijn tenslotte het eerste aanspreekpunt in geval van gezondheidsproblemen en worden door paardenhouders gezien als een zeer betrouwbare adviesbron. Een rantsoencontrole hoort dan ook bij het algehele onderzoek van zieke en gezonde paarden.

Een goede rantsoencontrole beoordeelt drie pijlers: het paard, het voer en het voeren. Het paard is de basis waar het rantsoen bij moet passen. Het rantsoen bestaat uit verschillende voedermiddelen en een dagelijks voerpatroon. Voedermiddelen zijn niet per definitie goed of slecht (behalve giftige planten, maar dit zijn geen voedermiddelen). Wel moet geoordeeld worden of het past bij dit paard in deze situatie en in combinatie met de overige voedermiddelen. Voor het goed functioneren van het maagdarmkanaal en het normale gedragspatroon van het paard zijn basisprincipes voor rantsoensamenstelling en het voeren opgesteld. Deze zijn zonder ingewikkelde berekeningen in de praktijk te controleren.

De situatie waarin het paard wordt gehouden en de daarbij horende mogelijkheden of onmogelijkheden zijn mede bepalend voor het uiteindelijke advies. Weidegang adviseren terwijl dat niet voorhanden is, is duidelijk geen optie. Het advies past bij paard en situatie en moet zo concreet mogelijk zijn. Dat geeft een beter gevolg en dus resultaat. Het paard en het rantsoen zijn dynamisch en dus kan de situatie in een paar maanden veranderd zijn, ofwel door verandering in training, dracht of groei, ofwel door verandering van voersamenstelling (seizoen, andere partij ruwvoer, etc.). Dit maakt het zinvol meer dan eens per jaar een voedingsanalyse uit te voeren.

Voeradvies door de dierenarts past uitstekend in de preventieve gezondheidszorg van het paard. Het ontbreekt veel dierenartsen aan kennis over voedermiddelen en voerwijzen voor paarden en kennis van aanpassingen die nodig zijn in bepaalde situaties of ziekten. Maar als dat is bijgespijkerd, dan is de volgende stap: gewoon doen.

In dit DM uitgebreide uitleg en vuistregels over de drie pijlers die te controleren zijn voor een voeradvies: het paard, het voer en het voeren. Daarmee kan zonder veel rekenwerk op stal het rantsoen worden gecontroleerd. Met het maken van een rantsoen berekening, zeker op basis van een ruwvoeranalyse, kan het advies nog nauwkeuriger worden. In sommige gevallen noodzakelijk, omdat anders geen uitspraak gedaan kan worden over de voorziening van bijvoorbeeld eiwit, mineralen en vitaminen.

2015-2 Bloedonderzoek bij Gezelschapsdieren

Mijn  eerste week van mijn internisten opleiding – ik herinner het mij nog heel goed. Heel spannend, zelfstandig hele lastige verwijspatiënten bekijken, maar ik wist, je doet bloedonderzoek en dan kom je er wel uit.  Ik zie mijzelf nog achter mijn bureau zitten met de 1e uitslag van een zieke patiënt met diarree. Mooie uitslagen, maar wat had die hond nu? Welke afwijking was relevant en welke afwijking een dwaalspoor? Nog steeds blijven sommige bloeduitslagen puzzels maar tegenwoordig zijn er allerlei manieren om er verder mee te komen.

De laatste Nederlandstalige publicatie op het gebied van interpretatie van laboratoriumonderzoek dateert alweer van een behoorlijk aantal jaren geleden. Reden om dit onderwerp aan te dragen voor een nieuw nummer van het Diergeneeskundig Memorandum. Tot mijn grote vreugde waren enkele bekende internisten bereid om een onderdeel te schrijven, ieder met zijn of haar eigen expertise.

Het eerste hoofdstuk van Erik Teske lijkt misschien saai maar is zo ontzettend cruciaal voor het kunnen interpreteren van uitslagen dat ik iedereen aanraad hier toch wat tijd aan te besteden. Christine Piek geeft een heldere uiteenzetting over het rode en witte bloedbeeld. Alleen kijken naar ‘anemie’ en ‘ontsteking’ kan niet meer na het lezen van dit hoofdstuk, de lezer is dan aan zijn of haar stand verplicht er toch iets meer van te maken. Hans Kooistra heeft een fantastische synopsis gemaakt van de endocrinologie met alle testen die daarbij horen. Zelf heb ik een poging gedaan om het uitgebreide gebied van de klinische chemie handen en voeten te geven voor de practicus.

Het directe gevolg van het oppakken van een onderwerp als ‘laboratoriumonderzoek’ is dat je je moet beperken en onderdelen moet laten liggen, temeer daar we bij het Diergeneeskundig Memorandum ook aan een maximum aantal pagina’s zitten. Daardoor zijn meerdere testen niet aan bod gekomen en worden de verschillende bepalingen beknopt behandeld. Ook is het onderwerp ‘urineonderzoek’  bewust weggelaten (uitgezonderd een enkel onderdeel in het hoofdstuk Endocrinologie). Kortom, er is genoeg blijven liggen om een 2e aflevering ‘ooit’ te maken over  aanvullende diagnostische onderzoeken anders dan bloedonderzoek.

Mede namens mijn mede-auteurs, die ik hierbij nadrukkelijk wil bedanken voor hun medewerking, wens ik u  heel veel plezier met deze aflevering en hoop dat het iedere dierenarts in de praktijk weer een stap verder brengt bij het oplossen van zijn/haar puzzels.

 

Lisette Overduin

2015-3