2015-3 Paardenvoeding

Als dierenarts ben je in staat advies te geven over de voeding en verzorging van dieren én om fouten/situaties die de kans op ziekte, lichamelijke problemen en welzijnsproblemen, te herkennen en te herstellen. In de praktijk merk je pas hoe belangrijk deze kennis is om eigenaren te woord te staan en advies te geven. Dit is voor het behandelen van paarden niet anders. Hoeveel hooi of welk soort krachtvoer heeft dit of dat paard nu nodig en, misschien nog wel van een groter belang, hoe voorkom je dat het paard weer koliek krijgt of weer last krijgt van hoefbevangenheid?

Kortom, paardenvoeding is een essentieel onderdeel van de paardengezondheidszorg. Alhoewel het eisenpakket aan de voersamenstelling voor paarden relatief beperkt is in vergelijking met productiedieren, schieten veel rantsoenen te kort. Voorbeelden hiervan zijn:

  • te lage hoeveelheden ruwvoer;
  • verkeerde aannames van de gehalten aan voedingsstoffen in ruwvoer;
  • een te hoog aandeel krachtvoer;
  • onnodig veel supplementen;.

Het vinden van de juiste balans blijkt in de praktijk vaak moeilijker dan in eerste instantie gedacht. “Veel ruwvoer en een beetje brok” is voor veel dierenartsen de gouden regel die in principe klopt, maar helaas door de grote variatie in het begrip ‘veel’ en ‘een beetje’ door paardeneigenaren niet altijd goed wordt uitgevoerd. En omdat ruwvoer aan de ene kant het belangrijkste onderdeel is en aan de andere kant niet wordt geanalyseerd en een zeer grote spreiding laat zien in gehalten en conservering, is de gouden regel niet altijd de waarheid.

“Veel ruwvoer een beetje brok” kan derhalve beter vervangen worden door: “veel passende kwaliteit ruwvoer en een complementerend supplement of een correcte dosering brok (of muesli)”. Alle nuancering in deze nieuwe regel maakt duidelijk dat het voeren van een paard weloverwogen en steunend op feiten en deskundigheid moet gebeuren.

Dierenartsen kunnen met goed voeradvies bijdragen aan de gezondheid en welzijn van het paard. Zij zijn tenslotte het eerste aanspreekpunt in geval van gezondheidsproblemen en worden door paardenhouders gezien als een zeer betrouwbare adviesbron. Een rantsoencontrole hoort dan ook bij het algehele onderzoek van zieke en gezonde paarden.

Een goede rantsoencontrole beoordeelt drie pijlers: het paard, het voer en het voeren. Het paard is de basis waar het rantsoen bij moet passen. Het rantsoen bestaat uit verschillende voedermiddelen en een dagelijks voerpatroon. Voedermiddelen zijn niet per definitie goed of slecht (behalve giftige planten, maar dit zijn geen voedermiddelen). Wel moet geoordeeld worden of het past bij dit paard in deze situatie en in combinatie met de overige voedermiddelen. Voor het goed functioneren van het maagdarmkanaal en het normale gedragspatroon van het paard zijn basisprincipes voor rantsoensamenstelling en het voeren opgesteld. Deze zijn zonder ingewikkelde berekeningen in de praktijk te controleren.

De situatie waarin het paard wordt gehouden en de daarbij horende mogelijkheden of onmogelijkheden zijn mede bepalend voor het uiteindelijke advies. Weidegang adviseren terwijl dat niet voorhanden is, is duidelijk geen optie. Het advies past bij paard en situatie en moet zo concreet mogelijk zijn. Dat geeft een beter gevolg en dus resultaat. Het paard en het rantsoen zijn dynamisch en dus kan de situatie in een paar maanden veranderd zijn, ofwel door verandering in training, dracht of groei, ofwel door verandering van voersamenstelling (seizoen, andere partij ruwvoer, etc.). Dit maakt het zinvol meer dan eens per jaar een voedingsanalyse uit te voeren.

Voeradvies door de dierenarts past uitstekend in de preventieve gezondheidszorg van het paard. Het ontbreekt veel dierenartsen aan kennis over voedermiddelen en voerwijzen voor paarden en kennis van aanpassingen die nodig zijn in bepaalde situaties of ziekten. Maar als dat is bijgespijkerd, dan is de volgende stap: gewoon doen.

In dit DM uitgebreide uitleg en vuistregels over de drie pijlers die te controleren zijn voor een voeradvies: het paard, het voer en het voeren. Daarmee kan zonder veel rekenwerk op stal het rantsoen worden gecontroleerd. Met het maken van een rantsoen berekening, zeker op basis van een ruwvoeranalyse, kan het advies nog nauwkeuriger worden. In sommige gevallen noodzakelijk, omdat anders geen uitspraak gedaan kan worden over de voorziening van bijvoorbeeld eiwit, mineralen en vitaminen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *