2015-2 Bloedonderzoek bij Gezelschapsdieren

Mijn  eerste week van mijn internisten opleiding – ik herinner het mij nog heel goed. Heel spannend, zelfstandig hele lastige verwijspatiënten bekijken, maar ik wist, je doet bloedonderzoek en dan kom je er wel uit.  Ik zie mijzelf nog achter mijn bureau zitten met de 1e uitslag van een zieke patiënt met diarree. Mooie uitslagen, maar wat had die hond nu? Welke afwijking was relevant en welke afwijking een dwaalspoor? Nog steeds blijven sommige bloeduitslagen puzzels maar tegenwoordig zijn er allerlei manieren om er verder mee te komen.

De laatste Nederlandstalige publicatie op het gebied van interpretatie van laboratoriumonderzoek dateert alweer van een behoorlijk aantal jaren geleden. Reden om dit onderwerp aan te dragen voor een nieuw nummer van het Diergeneeskundig Memorandum. Tot mijn grote vreugde waren enkele bekende internisten bereid om een onderdeel te schrijven, ieder met zijn of haar eigen expertise.

Het eerste hoofdstuk van Erik Teske lijkt misschien saai maar is zo ontzettend cruciaal voor het kunnen interpreteren van uitslagen dat ik iedereen aanraad hier toch wat tijd aan te besteden. Christine Piek geeft een heldere uiteenzetting over het rode en witte bloedbeeld. Alleen kijken naar ‘anemie’ en ‘ontsteking’ kan niet meer na het lezen van dit hoofdstuk, de lezer is dan aan zijn of haar stand verplicht er toch iets meer van te maken. Hans Kooistra heeft een fantastische synopsis gemaakt van de endocrinologie met alle testen die daarbij horen. Zelf heb ik een poging gedaan om het uitgebreide gebied van de klinische chemie handen en voeten te geven voor de practicus.

Het directe gevolg van het oppakken van een onderwerp als ‘laboratoriumonderzoek’ is dat je je moet beperken en onderdelen moet laten liggen, temeer daar we bij het Diergeneeskundig Memorandum ook aan een maximum aantal pagina’s zitten. Daardoor zijn meerdere testen niet aan bod gekomen en worden de verschillende bepalingen beknopt behandeld. Ook is het onderwerp ‘urineonderzoek’  bewust weggelaten (uitgezonderd een enkel onderdeel in het hoofdstuk Endocrinologie). Kortom, er is genoeg blijven liggen om een 2e aflevering ‘ooit’ te maken over  aanvullende diagnostische onderzoeken anders dan bloedonderzoek.

Mede namens mijn mede-auteurs, die ik hierbij nadrukkelijk wil bedanken voor hun medewerking, wens ik u  heel veel plezier met deze aflevering en hoop dat het iedere dierenarts in de praktijk weer een stap verder brengt bij het oplossen van zijn/haar puzzels.

 

Lisette Overduin